Hebreeën 1
Hebrews 1 Kingcomments Bijbelstudies

Inleiding

Deze brief is wel genoemd: De brief van de geopende hemelen. Je zult zien hoe terecht deze naam is. In de brief richt de schrijver je blik op een geopende hemel. En wat zie je daar, of beter, Wie zie je daar? Christus. Je krijgt in deze brief de Heer Jezus te zien in tal van heerlijkheden. Zowel in Zijn Persoon als in Zijn ambten – dat wil zeggen Zijn officiële functies – is een veelheid aan heerlijkheden aanwezig. Je zult er heerlijkheden van Hem zien als God en heerlijkheden die Hem sieren als Mens, want Hij is zowel volmaakt en waarachtig God als volmaakt en waarachtig Mens.

Hoewel de naam van de schrijver van deze brief niet wordt genoemd, pleit juist deze voorstelling van de Heer Jezus ervoor dat Paulus de schrijver ervan is. Als geen andere schrijver laat hij in al zijn brieven de heerlijkheid van de Heer Jezus als de verheerlijkte Mens zien, terwijl hij ook volkomen Zijn Godheid handhaaft. Hij noemt zichzelf niet als afzender om alle aandacht alleen naar de Heer Jezus te laten uitgaan. Als hij zichzelf in de aanhef van de brief als apostel zou presenteren, zou hij toch ook de aandacht op zichzelf vestigen en dat is hier ongepast. De Heer Jezus wordt trouwens in deze brief Zelf als Apostel voorgesteld (Hb 3:1). Ook dat maakt het ongepast voor Paulus om zich zo voor te stellen. Ik zal in het vervolg dan ook zijn naam niet meer noemen en spreken over ‘de schrijver’.

Er is nog een brief waar de schrijver zichzelf niet als afzender noemt en dat is de eerste brief van Johannes. De reden hiervoor is dezelfde als in deze brief. Ook in die brief is het de bedoeling van de Heilige Geest alle licht te laten vallen op de Heer Jezus.

De brief is geschreven aan de Hebreeën, dat wil zeggen aan Joden die de Heer Jezus als de Messias hebben aangenomen en in Hem zijn gaan geloven. Hun ongelovige volksgenoten zien in Hem een misleider die terecht is gekruisigd. Voor hen heeft Hij afgedaan. Zij beschouwen de gelovige Joden als afvalligen die de godsdienst van de vaderen vaarwel hebben gezegd. Zij houden vast aan de uiterlijke tempeldienst en alle daarbij behorende offers en gebruiken. Tegelijk wordt hun haat tegen hun gelovig geworden volksgenoten openbaar.

Ook wijzen zij die gelovige volksgenoten op die zichtbare, tastbare tempeldienst en bespotten hen omdat die geloven in wat onzichtbaar en niet tastbaar is. Zij maken het de gelovige Joden moeilijk door hen te vervolgen en te smaden. Daarom doet de schrijver van de brief – dat is in feite de Heilige Geest door de schrijver heen – zijn best om de gelovige Joden al de heerlijkheden van de Heer Jezus in de hemel voor te stellen. Ze zien Hem niet, maar daar is hun geloof niet armer om. Hun geloof is juist enorm veel rijker.

In de brief laat de schrijver zien dat de hele oudtestamentische eredienst in Christus vervuld is. Je zult bijvoorbeeld zien dat de offers van het Oude Testament hun vervulling hebben gevonden in het offer van Christus. Zo is ook het priesterschap van Aäron vervangen door het priesterschap van Christus. Naast deze overeenkomsten zijn er ook tegenstellingen. Kijk maar naar de offers. Die werden steeds herhaald, terwijl het offer van Christus eens voor altijd is gebracht, zodat herhaling niet nodig is. Bij Aäron zie je hetzelfde. Aäron was een zondige, sterfelijke hogepriester, die na zijn dood door zijn zoon werd opgevolgd. Christus is de zondeloze, tot in eeuwigheid levende Hogepriester.

Daarom is de christelijke eredienst, waarin Christus en Zijn volbrachte werk centraal staan, veel beter dan de Joodse. In de brief komt daarom ook het betere van het christendom ten opzichte van het Jodendom aan de orde. Het woord ‘beter’, of ‘meer’, komt dertien keer in de brief voor op een totaal van negentien keer in het hele Nieuwe Testament. Zo lees je over: betere dingen, betere slachtoffers, een betere hoop, een betere belofte, een betere opstanding, een beter verbond, een beter bezit, een beter land.

Nu moet je niet denken dat het voor de gelovige Joden gemakkelijk was om de oude, vertrouwde en ook nog eens door God gegeven godsdienst los te laten. Ze zijn daarmee van jongs af aan vertrouwd geweest en nu moeten ze al die pracht en indrukwekkende luister de rug toekeren. Hoe moeilijk dat is, kun je wel zien aan een gebeurtenis in het leven van Petrus, die Jood was in hart en nieren. De Heer heeft echt moeite moeten doen om hem van zijn oude denken te bevrijden (Hd 10:9-23).

Misschien weet je uit eigen ervaring hoe moeilijk het is om bepaalde godsdienstige gewoonten of gedachten waarmee je bent opgegroeid en vergroeid, te veranderen. Voor de gelovige Joden betekent het vasthouden aan het oude een verhindering om in het nieuwe en betere te groeien. Daarom stelt de schrijver de heerlijkheid van het nieuwe en betere voor, opdat het gemakkelijker zal zijn het oude los te laten.

Zijn argumenten zijn niet bedoeld voor de ongelovige massa van de Joden. Tot hen richt hij zich ook niet. Zij houden vast aan uiterlijke vormen. In naam zijn ze Gods volk en ze beroemen zich daar zelfs op. Hun verhouding tot God is echter slechts formeel, zonder innerlijk verlangen naar Hem en het doen van Zijn wil. Maar te midden van deze massa bevinden zich gelovigen die in een werkelijke verbinding met God staan door het geloof. Zij hebben in Christus hun Messias erkend. Aan hen is de brief gericht met het doel om hen los te maken van de aardse godsdienst van het Judaïsme en hen tegelijk te bevestigen in hun nieuwe en hemelse verbinding met Christus.

De brief laat op een uitmuntende manier het hemelse karakter van het christendom zien. Dat maakt de brief van speciale betekenis voor onze dagen. Het christendom heeft in de loop van de geschiedenis steeds meer zijn ware, hemelse karakter verloren. Het is gereduceerd tot een werelds systeem. Veel vormen van christendom bestaan uit ceremoniën en kerkelijke gebruiken die vaak rechtstreeks uit het Jodendom zijn overgenomen. Daarmee is de Judaïstische godsdienst, die voor God heeft afgedaan, weer teruggekeerd.

Daarom is de brief ook voor jou van buitengewoon belang. Je leert erdoor naar het christendom te kijken met Gods ogen. Door de brief zul je herkennen hoe God gediend en aanbeden wil worden, waardoor je tevens kunt afwijzen wat daarvan afwijkt.

De aanleiding om de brief te schrijven is dat er bij de gelovige Hebreeën een zekere vermoeidheid begon te ontstaan vanwege vervolging en smaad, terwijl waar ze op hoopten, maar niet kwam. Hun handen waren slap geworden en hun knieën verlamd. Er ontstond een neiging om terug te vallen in wat ze hadden verlaten. Ze konden de druk niet langer aan en hun hoop op de spoedige terugkeer van de Messias ging niet in vervulling.

Daarom stelt de schrijver de Joodse christenen de verhevenheid van het christendom voor ten opzichte van het Jodendom. Tot nu toe hadden zij het christendom verbonden met het Jodendom. Duizenden christenen waren ijveraars voor de wet. Maar God stond op het punt het Joodse systeem geheel en al teniet te doen. Ook brengt de schrijver zijn lezers veel gelovigen voor de aandacht die ook hebben geleefd door het geloof, zonder tijdens hun leven te krijgen waarnaar ze uitzagen. Zij hebben tot het einde toe volgehouden.

Bovenal richt de schrijver het oog op de Heer Jezus en Zijn volharding. Het lijkt alsof ook Hij niet heeft gekregen waarvoor Hij was gekomen. Toch is Hij doorgegaan en wacht nu in de hemel op de tijd van de vervulling van de beloften. Telkens moet hun blik en ook die van jou op Hem worden gericht. Daardoor word je met de hemel verbonden en zie je dat jouw roeping een hemelse is. Je bent geroepen vanuit de hemel en je wordt geroepen naar de hemel. Je weg is de weg naar boven.

Dat kun je niet zien met het natuurlijke oog en daarom komt het aan op geloof. Omdat je nog op aarde leeft en er zo vaak een beroep wordt gedaan op wat je ziet, is het gevaar groot daaraan toe te geven. Als je echter in geloof op de Heer Jezus in de hemel ziet, zul je niet wankelen, maar versterkt worden in je christelijke positie. Door naar Hem te kijken leer je het kruis van smaad en verachting op aarde te dragen.

Samengevat kan worden gezegd dat de schrijver in de brief wijst op de Heer Jezus, op Zijn leven op aarde, op Zijn offer op het kruis, op Zijn verheerlijking aan de rechterhand van God en op Zijn toekomst.

Tot slot van deze inleiding een globale indeling van de brief:
1. Hebreeën 1-2: De persoonlijke heerlijkheden van Christus en Zijn plaats in de hemel.
2. Hebreeën 3-5: Het hemels priesterschap van Christus, tot ondersteuning van Zijn volk.
3. Hebreeën 6-9: Het offer van Christus waardoor je geschikt bent voor de hemel.
4. Hebreeën 10: De toegang die je nu al hebt tot de hemel waar Christus is.
5. Hebreeën 11: Voorbeelden van het geloof dat ziet op Christus in de hemel.
6. Hebreeën 12: Heiliging en genade op de weg die naar Christus in de hemel leidt.
7. Hebreeën 13: Jezus Christus, gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.

Nederlandse verzen (1-3)

Zevenvoudige heerlijkheid van Christus

Hb 1:1. Zonder een inleidend woord begint de brief direct met te wijzen op het spreken van God. Doordat God heeft gesproken, heeft Hij Zijn gedachten bekendgemaakt. Die zou je anders niet geweten hebben. God hoefde Zijn gedachten niet bekend te maken; het is een grote genade dat Hij dit toch heeft gedaan.

De schrijver wijst zijn lezers erop dat God vroeger “tot de vaderen gesproken had”. Dat maakt duidelijk dat de lezers in de eerste plaats gelovigen uit de Israëlieten zijn. Voor hen die uit het heidendom tot bekering zijn gekomen, zou deze uitdrukking immers geen zin en betekenis hebben gehad. Ook het feit dat God “in de profeten” heeft gesproken, geeft aan dat het om lezers van Joodse herkomst gaat. Daar rekent de schrijver zichzelf ook toe. Dat kun je zien aan het “tot ons”.

In de profeten is God “vele malen en op vele wijzen” tot de vaderen gekomen. Door de loop van de tijd heen heeft Hij vele malen op verschillende tijdstippen en door steeds weer andere profeten tot Zijn aardse volk gesproken. Hij heeft ook op vele verschillende manieren gesproken. Je kunt daarbij denken aan waarschuwingen, onderwijzingen, visioenen, dromen, wonderen en tekenen (vgl. Hs 12:11). Al dit spreken heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd. Het volk is telkens weer en steeds verder van God afgeweken.

Nadat God in de voorbije eeuwen op deze wijze tot Zijn volk heeft gesproken, heeft Hij ten slotte tot hen gesproken in Zijn Zoon. Dit spreken gebeurde aan het einde van de tijden. Dat zijn de tijden waarin God nog tot Zijn volk sprak, maar die op hun einde liepen en definitief eindigden toen Zijn volk Zijn Zoon verwierp. Dit spreken van God in Zijn Zoon gebeurde toen de Heer Jezus op aarde was. Het was een laatste poging van Gods kant om Zijn volk tot Zich terug te brengen.

Er is echter een enorm onderscheid tussen het spreken van alle voorgaande profeten en het spreken in de Zoon. De profeten waren mensen door middel van wie God Zich tot het volk richtte. Maar de Heer Jezus, de Zoon, is geen middel door wie God spreekt. Het spreken van de Heer Jezus is het spreken van God Zelf! De profeten spraken namens God. De Heer Jezus sprak niet namens God, maar in Zijn hoedanigheid van God. Zeker deed Hij dat als Mens op aarde, maar die Mens is God de Zoon.

Dat maakt Gods spreken in de Zoon buitengewoon indrukwekkend. Als God in de Zoon spreekt, is er geen sprake meer van gedeeltelijke of tijdelijke Goddelijke uitspraken, want alle spreken van de Zoon is voortdurend en volmaakt Goddelijk. De Zoon is oneindig ver verheven boven de profeten, zoals Hij dat ook is boven alle andere personen en ook boven de engelen tegen wie de Joden zo hoog opzien.

Als de schrijver zo de Zoon in zijn betoog heeft ingevoerd, gaat hij op onnavolgbare wijze de grote verhevenheid van de Zoon beschrijven. Hij doet dat door zeven heerlijkheden van deze alles en iedereen te boven gaande Persoon aan je voor te stellen.

1. Hb 1:2a. In de eerste plaats is de Zoon door God gesteld “tot Erfgenaam van alle dingen”. Als Zoon zal Hij alles wat bestaat, in heerlijkheid bezitten. Het is Gods plan om alles aan Zijn Mens geworden Zoon te onderwerpen. Hij kon als Erfgenaam de erfenis pas ontvangen nadat de erflater was gestorven (Hb 9:17).

Het wonderlijke is nu dat Hij zowel Erflater als Erfgenaam is. En hoe heeft Hij als Erfgenaam de erfenis verkregen? Door als Erflater te sterven. Je kunt zeggen dat het Gods erfenis is en dat daarom God de Testamentmaker is, terwijl Christus de Erfgenaam is. Maar Christus is Zelf God, zodat Hij door Zijn eigen dood – natuurlijk als Mens, want God kan niet sterven – de erfenis ontvangt. Dit is een voor ons verstand niet te begrijpen mysterie, maar voor het geloof is dit wonder een reden om God te aanbidden.

Daar komt nog iets wonderlijks bij. Hij is de Erfgenaam, maar door Gods wondere genade ben jij mede-erfgenaam van ‘alle dingen’, dat is het hele universum, niets uitgesloten (Rm 8:16-17; Gl 4:7). Geeft dat bewustzijn geen moed om te volharden?

2. Hb 1:2b. Zijn tweede heerlijkheid is Zijn scheppingsmacht. Door Hem heeft God “ook de werelden [van mensen, engelen en sterren] gemaakt”. Heel het uitgestrekte systeem van dit heelal is het werk van de hand van Hem, Die tot ons heeft gesproken: de Goddelijke Christus. Zonder Hem is niet één ding geworden, dat geworden is (Jh 1:3; Ko 1:16).

3. Hb 1:3a. Het derde is dat, wat er ook aan heerlijkheid van God naar buiten straalt, dit altijd gebeurt door de Zoon. De Zoon is “[de] uitstraling … van Zijn heerlijkheid”. Het licht van de heerlijkheid van God is zichtbaar geworden in Hem. Hij is het beeld van de onzichtbare God (Ko 1:15). Het is net zoals met de zon en zijn stralen. Waar de zon is, daar straalt hij, en waar zonnestralen zijn, daar is de zon. De stralen en de zon zijn volkomen van dezelfde aard. Het is ondenkbaar dat er zonnestralen zijn los van de zon. De stralen zijn ook niet tegen te houden of te bevuilen. Wat de mens ook deed met de Zoon op aarde, nooit konden de stralen worden tegengehouden of verduisterd of besmet.

4. Hb 1:3b. Hij is ten vierde ook de zon zelf en niet alleen de uitstraling. Hij is niet slechts een afspiegeling van God, nee, het wezen van God is in Hem. De Zoon is “[de] afdruk van Zijn wezen”. Alles wat God in de hoge is, is Christus als Mens. Het wordt in Hem ‘afgedrukt’ (vgl. Dt 4:15-16; 25; Ex 33:9-11; 20-23). Heel het wezen van God is in Hem terug te vinden als een afdruk.

Wat zichtbaar is in de Zoon, komt volkomen overeen met en is identiek aan de onzienlijke God. Er is geen gedachte in God, of Christus is er de uitdrukking, de afdruk, van. Hij is Zelf God, evenzeer als de Vader en de Geest Die in en door Hem ook in Hun volle hoedanigheid worden geopenbaard. Je ziet de drie-enige God in Hem in alles wat Hij zegt en doet.

5. Hb 1:3c. Zijn vijfde heerlijkheid is dat Hij “alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht”. Dat woord, Zijn spreken, bezit Goddelijke kracht (Ps 33:6; 9). Hij is Schepper en houdt tevens alles in stand. Nadat Hij alles heeft geschapen, zorgt Hij ook voor wat Hij heeft geschapen, want Hij heeft alles geschapen met een doel. Alle dingen bestaan samen in Hem (Ko 1:17), alles wordt door Hem samengehouden.

Hij draagt alle dingen niet als een dode zaak op Zijn rug, opdat het niet valt, maar leidt alles naar een doel. Het dragen houdt beweging en voortgang in. Een voorbeeld daarvan zie je in Zijn dagelijkse zorg voor al de Zijnen. Op elk van de talloze gebeden die elke dag tot Hem worden gedaan voor allerlei zaken, kan Hij door het woord van Zijn kracht antwoorden. Hij zorgt voor het onderhoud van de hele schepping en elk individueel leven.

6. Hb 1:3d. Een zesde Goddelijke heerlijkheid wordt in Hem als Mens zichtbaar. Die heerlijkheid betreft “de reiniging van de zonden”. Het gaat hier niet om ‘onze’ zonden, maar om het feit van de reiniging van de zonden. Dat Hij die “tot stand heeft gebracht”, voegt toe aan de heerlijkheid van de Zoon. Hij deed het “door Zichzelf”. Dit onderstreept extra dat de Zoon het verlossingswerk geheel alleen en in eigen kracht heeft volbracht. Reiniging van de zonden betekent dat Hij de zonden heeft verwijderd.

7. Hb 1:3e. Ook de zevende Goddelijke heerlijkheid zie je in Hem als Mens. Hij is “gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge”. Als Mens heeft Hij, na de reiniging van de zonden tot stand te hebben gebracht, Zijn plaats ingenomen in de hoge. Dat Hij daar is, bewijst de volmaaktheid van Zijn werk. Daardoor is volledig voldaan aan alles wat in verband staat met de majesteit van God. Daarom heeft Hij recht op die plaats. Hij zit daar, wat een houding van rust aangeeft. Hij zit aan de rechterhand, wat de plaats van eer aangeeft.

Op Hem dáár, gezeten in de hoge, worden steeds je ogen gericht als je deze brief leest. Mocht je er ooit aan twijfelen of je zonden zijn weggedaan, kijk dan naar Hem dáár. Het zien op Hem dáár maakt een einde aan alle twijfel.

Overigens wordt de Heer Jezus vier keer in deze brief gezien aan de rechterhand van God:
1. In Hebreeën 1, waar Hij in Zijn eigen, persoonlijke heerlijkheid daar gaat zitten, nadat Hij de reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht (Hb 1:3).
2. In Hebreeën 8 met betrekking tot Zijn hogepriesterlijke dienst (Hb 8:1-2).
3. In Hebreeën 10 met het oog op het eens voor altijd door Hem volbrachte offer, waardoor Hij als Priester kan zitten, want het offer hoeft nooit meer herhaald te worden (Hb 10:12).
4. Ten slotte in Hebreeën 12 waar het niet in verbinding staat met Zijn Persoon, Zijn dienst of Zijn volbrachte werk, maar met Zijn innerlijke gevoelens van ‘de vreugde die voor Hem lag’ (Hb 12:2).

Lees nog eens Hebreeën 1:1-3.

Verwerking: Overdenk de diverse heerlijkheden van Christus en zeg tegen Hem hoezeer je Hem daarvoor bewondert.

De Zoon ver boven de engelen (I)

Ik denk dat het goed is om nog even stil te staan bij de wijze waarop de Heer Jezus in deze brief wordt voorgesteld. Het is niet eenvoudig om Zijn verschillende heerlijkheden te onderscheiden. Hij is immers God én Mens in één Persoon. Ik wil proberen hierover iets te zeggen. Uit de vorige verzen heb je begrepen dat Hij nu als Mens in de hemel is. Hij heeft daar als Mens Zijn plaats ingenomen, nadat Hij door Zijn werk op het kruis de reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht.

Vóór die tijd was Hij wel in de hemel, maar niet als Mens. Hij was niet van eeuwigheid af Mens. Hij is Mens geworden door Zijn geboorte op aarde. Johannes spreekt over “Jezus Christus als in [het] vlees gekomen” (2Jh 1:7) en verklaart ook dat “het Woord … vlees geworden” is (Jh 1:14). De Heer Jezus was er wel, want Hij is de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader, maar Hij werd Mens, of, zoals Johannes zegt, dat Hij “in [het] vlees gekomen” of “vlees geworden” is. Dat kan alleen gezegd worden van iemand die er als persoon al was, maar nu op een andere manier komt.

En hoe gebeurde dat? God de Heilige Geest verwekte Hem in Maria (Lk 1:35). Dit betekent dat de Heer Jezus op twee manieren Zoon van God is:
1. Hij is God de Zoon vanaf alle eeuwigheid.
2. Hij is op een nieuwe wijze Zoon geworden toen Hij op aarde werd geboren. Ook als Mens is God Zijn Vader.

Zijn eeuwig Zoonschap is in deze brief steeds aanwezig. Soms komt dit ook naar voren, zoals in de vorige verzen in Zijn heerlijkheid als Schepper en als Drager van alle dingen. Maar in deze brief ligt de nadruk toch op het feit dat Hij als Mens de Zoon van God is. In Zijn Persoon zijn talloos veel heerlijkheden te vinden. Als beperkte mensen kunnen wij de omvang van al die heerlijkheden niet in zijn geheel zien. Wij kunnen die ‘ten dele’ zien (1Ko 13:9), dat wil zeggen dat wij telkens een deel van die heerlijkheid kunnen zien en bewonderen. Op deze manier gaat de schrijver hier te werk.

Hb 1:4. We keren terug naar onze bespreking van Hebreeën 1. We zijn bij Hb 1:4 aangekomen, waar de schrijver op het voorgaande aansluit door nu de heerlijkheid van de Zoon te vergelijken met de engelen. Engelen namen een bijzondere plaats in het Joodse systeem in. Het aardse volk van God heeft de wet door middel van engelen ontvangen (Hd 7:53; Gl 3:19). En als de HEERE, Jahweh, in het Oude Testament verscheen, deed Hij dat gewoonlijk ook in de gedaante van een engel, als de Engel van de HEERE.

Voor een Jood zijn na God de engelen de hoogste wezens. Ze hebben er diep respect voor. Johannes bijvoorbeeld wilde een engel aanbidden (Op 19:10; Op 22:8-9). Een mens is voor een Jood veel lager dan een engel. Nu is de Heer Jezus Mens geworden. Zo is Hij in de hemel. Dat levert voor het denken van de Jood een probleem op. Christus is Mens geworden en is Hij toch meer dan de engelen?

Als de eeuwige Zoon en ook als Schepper was Hij altijd boven de engelen verheven. De Joden moeten er echter nog oog voor krijgen dat Hij ook als Mens boven de engelen staat en wel omdat Hij ook als Mens de Zoon van God is. Voor de engelen is dat geen probleem. Die zien in Hem, ook toen Hij als Mens op aarde was, hun Heer en Meester. Engelen hebben Hem bij Zijn geboorte geëerd (Lk 2:10; 13-14). En tijdens Zijn leven dienden ze Hem en stonden klaar dat te doen (Mt 4:11; Mt 26:53; vgl. 1Tm 3:16).

Nu is Hij als Mens teruggekeerd naar de hemel, ‘de hoge’ (Hb 1:3), waar Hij als de eeuwige Zoon altijd is geweest. Daar heeft God Hem een heerlijkheid verleend die Hij daarvoor niet bezat. Door die plaats als Mens in te nemen, is er een dimensie toegevoegd aan de afstand in heerlijkheid die er was tussen Hem en de engelen. Dat wordt aangegeven door de woorden “zoveel meer geworden”.

Ook hier is sprake van iets ‘geworden’ zijn, wat erop duidt dat het eerst niet aanwezig was. De afstand tussen Hem en de engelen was altijd al onmetelijk groot en kan niet groter worden. Wel kan Zijn uitnemendheid boven de engelen nog meer nadruk krijgen. Dat gebeurt door de nieuwe naam die Hij heeft geërfd. Die naam is Hem door God gegeven nadat Hij was gestorven – erven staat immers met de dood in verbinding –, was opgestaan en naar de hemel was teruggekeerd. Het is de Naam die boven alle naam is (Fp 2:9).

Dan is voor de schrijver het ogenblik gekomen om Zijn uitnemendheid boven de engelen te bewijzen. Hiervoor haalt hij meerdere gedeelten uit het Oude Testament aan die van de Messias spreken. De gelovigen aan wie hij schrijft, zijn daar goed mee bekend. De aangehaalde gedeelten zullen hen overtuigen. Ze geven een eensluidend getuigenis. In zeven aanhalingen uit het Oude Testament en wel uit de Griekse vertaling daarvan, de Septuaginta, wordt de alles te boven gaande verhevenheid van de Zoon aangetoond.

Om de kracht van deze aanhalingen te zien moet je wel proberen je te verplaatsen in de gelovige Jood. Ook dit is geen eenvoudig gedeelte, maar je moeite om er iets van te begrijpen zal dubbel en dwars beloond worden. Het heeft voor mij ook een aardig poosje geduurd, voordat ik een beetje ging begrijpen hoe indrukwekkend dit getuigenis uit het Oude Testament is. Ik geef je eerst de aanhalingen op een rij:

1. Hij is hoger dan de engelen, want Hij is de Zoon, en wordt door hen aangebeden (Hb 1:4-6, met aanhalingen uit (1) Ps 2:7; (2) 1Kr 17:13; (3) Ps 97:7);
2. Zijn troon is eeuwig, dat betekent dat deze boven elke troon verheven (Hb 1:7-8, met aanhalingen uit (4) Ps 104:4; (5) Ps 45:7);
3. Hij is verheven boven Zijn metgezellen (Hb 1:9, met een aanhaling uit (5) Ps 45:8);
4. Hij is verheven boven Zijn schepping, want daaraan komt een einde (Hb 1:10-12, met een aanhaling uit (6) Ps 102:26);
5. Hij is verheven boven de tijd (Hb 1:12, met een aanhaling uit (6) Ps 102:27-28);
6. Hij is verheven boven Zijn vijanden (Hb 1:13, met een aanhaling uit (7) Ps 110:1); en nog eens:
7. Hij is verheven boven de engelen (Hb 1:13-14, met een aanhaling uit (7) Ps 110:1).

In deze aanhalingen zie je ook nog een chronologische volgorde. Ze gaan over
1. Zijn geboorte (Hb 1:5a),
2. Zijn aanwezigheid op aarde in gemeenschap met de Vader (Hb 1:5b),
3. Zijn wederkomst in de wereld (Hb 1:6),
4. Zijn koningschap in het vrederijk (Hb 1:8) en
5. de eeuwige toestand na het vrederijk (Hb 1:11).

Hb 1:5a. De eerste bewijsplaats (Ps 2:7) laat de verhevenheid van de Zoon boven de engelen zien door op Zijn positie als Zoon te wijzen. Nooit heeft God tegen een bepaalde engel persoonlijk gezegd: “U bent Mijn Zoon.” Engelen worden wel zonen van God genoemd (Gn 6:2; Jb 1:6), maar dan gaat het om zonen als schepselen, zoals ook Adam “zoon … van God” wordt genoemd (Lk 3:23; 38). Hier wordt de naam ‘Zoon’ gegeven aan de Messias geboren op aarde. Het gaat om Zijn verhouding in de tijd. Hij was in de eeuwigheid de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader en daarbij is sinds Zijn geboorte ook Zijn verhouding als op aarde geboren Zoon gekomen.

Er wordt door sommigen geleerd dat Hij pas Zoon geworden is, toen Hij geboren was, terwijl Zijn eeuwig Zoonschap geloochend wordt. Maar als Hij pas en alleen Zoon geworden was bij Zijn geboorte, dan had de volgorde in Psalm 2 moeten zijn: ‘Ik heb U heden verwekt, U bent mijn Zoon.’ Er staat echter eerst: “U bent Mijn Zoon” (Ps 2:7). Vervolgens wordt vastgesteld dat die Zoon “verwekt” werd, dat wil zeggen Mens werd. Zo wordt eerst de eeuwige verhouding vastgesteld en daarna de nieuwe verhouding.

Hb 1:5b. De tweede aanhaling (2Sm 7:14; 1Kr 17:13) staat in de toekomende tijd: “Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn.” Dat kan niet slaan op Zijn verhouding tot Zijn Vader in de eeuwigheid, want die heeft geen begin. Het slaat op Zijn verhouding in de tijd, vanaf Zijn geboorte. God maakt hier duidelijk in welke verhouding de Messias tot Hem staat.

Deze woorden hebben in de eerste plaats betrekking op Salomo, de zoon van David. Salomo is een voorbeeld van de Heer Jezus als de Vredevorst. Daarom kan de Heilige Geest deze verzen aanhalen en ze toepassen op dé Zoon van David, de Heer Jezus (vgl. Mt 1:1). Een toepassing op engelen is onmogelijk.

Weet je op wie deze aanhaling nog meer wordt toepast? Op jou en mij! Lees maar in 2 Korinthiërs 6 (2Ko 6:18). In het verband van dat gedeelte gaat het erom dat je je zó gedraagt, dat God Zich ook echt jouw Vader kan noemen en jou als Zijn zoon of dochter kan erkennen (2Ko 6:14-18). Dan lijk je op de Heer Jezus, Die Hij ook Zoon noemt.

Lees nog eens Hebreeën 1:4-5.

Verwerking: Wat heb je geleerd over het verschil tussen de Heer Jezus en de engelen?


De Zoon ver boven de engelen (II)

Hb 1:6. De derde aanhaling (Ps 97:7) gaat over het aanbidden van de Zoon. Aanbidding komt alleen een Goddelijke Persoon toe. God roept “alle” engelen hiertoe op, niet slechts een paar. Ze worden “engelen van God” genoemd, dat wil zeggen schepselen die Hem het naaste staan en de instrumenten van Zijn macht en regering zijn. In die positie moeten ze de Messias aanbidden.

God doet deze oproep “wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld”. Dat slaat zeker op Zijn geboorte in Bethlehem. Toen bracht God Hem in de wereld en hebben de engelen God geprezen (Lk 2:13). Maar God zal Hem nog een keer in de wereld inbrengen. Dan komt Hij niet meer als een Baby, maar in macht en majesteit. Hij komt als ‘Eerstgeborene’, dat wil zeggen dat Hij te midden van anderen is en onder hen de eerste plaats heeft. Een en ander blijkt uit de beschrijving van Zijn wederkomst in Openbaring 19. Dan komt Hij in macht en majesteit samen met de Zijnen (Op 19:11-16). Hij is ook de Eerstgeborene van de hele schepping (Ko 1:15), de Eerstgeborene uit de doden (Ko 1:18; Op 1:5) en de Eerstgeborene onder vele broeders (Rm 8:29).

Hb 1:7. De vierde aanhaling (Ps 104:4) laat zien dat de engelen tot iets zijn gemaakt, namelijk tot “geesten” en “dienaars”. De Zoon is echter niet tot iets gemaakt. De boodschappers, deze onzichtbare wezens, zijn snel en onzichtbaar als de wind, maar hun werk is waar te nemen. Het zijn dienaren met een macht als vuur, vreselijk, schrikwekkend, verterend. Daarmee zijn engelen ver boven mensen verheven. Maar de Zoon is weer oneindig ver boven de engelen verheven. Terwijl Hij Zoon is, worden engelen vergeleken met niet meer dan de elementaire krachten van wind en vuur.

Hb 1:8-9. De vijfde aanhaling is uit Psalm 45 (Ps 45:7-8). Psalm 45 is een Messiaanse psalm, waarin de Godheid van de Messias sterk wordt benadrukt. De psalmist spreekt de Messias aan met “God”. Zoals gezegd, is de Zoon niet tot iets gemaakt, zoals de engelen, maar God erkent Hem in wat Hij is: God. God spreekt over Zijn “troon”. Dat is Zijn aardse troon, die ophoudt te bestaan zodra Hij bezitneemt van een eeuwige troon. Het is een eeuwige troon omdat rechtmatigheid de grondslag ervan is.

De Messias oefent Zijn heerschappij, waarvan de scepter het symbool is, uit als de rechtmatige Koning. Niemand kan Hem Zijn koningschap betwisten en niemand kan de rechtvaardigheid van Zijn regering ter discussie stellen. Elke grond daarvoor ontbreekt. Wat engelen betreft, zij zitten niet op een troon, maar zij staan vóór de troon, klaar om te dienen.

Hij heeft recht op die plaats. Dat heeft Hij bewezen toen Hij op aarde was. Toen heeft Hij laten zien dat Hij gerechtigheid liefhad en wetteloosheid haatte. Daarom was Hij voor God een vreugde en daarom zalfde God Hem met vreugdeolie boven Zijn metgezellen, dat is het gelovig overblijfsel.

Het is mooi om in deze aanhaling te zien hoe de Godheid van de Heer Jezus weer wordt bevestigd, evenals Zijn eeuwige troon. Tevens zie je Hem als de getrouwe Mens op aarde waar Hij Godvrezende mensen tot Zijn metgezellen maakt boven wie Hij tegelijkertijd weer hoogverheven is.

Hb 1:10-12. Zijn heerlijkheid wordt vervolgens nog uitgebreider voorgesteld: Hij is Jahweh. Daarover kan door de zesde aanhaling (Ps 102:26-28) geen enkel misverstand meer mogelijk zijn. Vóór de aanhaling staat ‘en’, waardoor deze aanhaling duidelijk op de voorgaande aansluit en toevoegt aan wat al over de Zoon is gezegd. In Psalm 102 wordt Hij niet slechts als Mens gezien, maar als Mens in de diepste vernedering, in Zijn lijden en ten slotte in Zijn dood.

Tevens wordt Hij door God erkend als de Maker van hemel en aarde. De psalm is de profetische uiting van het hart van de Heiland in het vooruitzicht van wat Hem als Mens op aarde overkomt. Je hoort er ook Gods antwoord aan Hem in. Het antwoord houdt in dat, hoe vernederd Hij ook mag zijn, Hij tegelijk de Schepper is. Dat antwoord wordt door de schrijver hier aangehaald. Je leest dat God Zijn Zoon aanspreekt met: “U, Heer.” Voor de lezers van de brief, en ook voor jou, betekent dit dat de Jezus van het Nieuwe Testament de Jahweh van het Oude Testament is.

Dan lees je in de aanhaling over “in het begin” (vgl. Gn 1:1; Jh 1:1). Hij staat aan het begin van alle dingen. Alle dingen hebben hun begin te danken aan Hem Die Zelf geen begin heeft. Hij heeft ook geen einde, terwijl Zijn werken dat wel hebben, want zij zullen vergaan. Spotters zeggen wel dat alles blijft zoals van het begin van de schepping (2Pt 3:4), maar ze zullen bedrogen uitkomen. De materiële wereld heeft in zichzelf geen leven en is ook niet eeuwig zoals de Schepper ervan. Hier ga je in één zin van ontstaan naar vergaan, van het eerste vers van Genesis 1 naar het eerste vers van Openbaring 21 (Gn 1:1; Op 21:1). Het geeft de enorme tegenstelling aan die er is tussen de Schepper en de schepping.

Hij is eeuwig Dezelfde. Zijn jaren zullen eindeloos voortduren, ook nu Hij Mens geworden is, want ook als Mens kent Hij geen einde. De schepping zal veranderd worden, maar Hijzelf is de Eeuwige en Onveranderlijke. “Veranderd worden” duidt op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Op 20:11; Op 21:1). Het zal met de schepping gaan als met een “kleed” en Hij zal met de schepping handelen als met een “mantel”. Een kleed veroudert uiteindelijk en een mantel kun je samenrollen en verwisselen. Dat is met de Zoon niet het geval. Christus is Schepper en ook Herschepper.

Hb 1:13. De zevende aanhaling (Ps 110:1) komt overeen met de zevende heerlijkheid van de Zoon in Hb 1:3. Niet alleen is Zijn Persoon heerlijk en Goddelijk, niet alleen neemt Hij de eerste plaats in ten opzichte van alle schepselen in het heelal, maar Hij heeft Zijn eigen plaats aan de rechterhand van de Majesteit in de hemelen. Hij Die in de eeuwigheid bij God was, op aarde kwam, verworpen werd, maar toch straks zal regeren, is nu aan Gods rechterhand.

Het eerste vers van Psalm 110 wordt van alle verzen uit het Oude Testament het meest in het Nieuwe Testament aangehaald. Dat komt doordat in het Oude Testament in feite alleen in dit vers iets wordt gezegd over de tegenwoordige plaats van de Heer Jezus in de hemel na Zijn lijden, sterven en opstanding en voordat Hij terugkomt.

Hij zit nu, terwijl engelen altijd staan (Lk 1:19; Op 8:2). Als Michaël en zijn engelen hebben gestreden tegen de draak en zijn engelen en hebben overwonnen (Op 12:7-8), zullen zij terugkeren naar Gods tegenwoordigheid om daar te gaan staan op hun plaats van nederige dienaren in afwachting van de volgende opdracht. Wat God tegen de Zoon zegt, zal Hij nooit tegen de machtigste engel zeggen.

Hb 1:14. Het hoofdstuk besluit met een vraag die een conclusie inhoudt. Engelen dienen, Christus regeert. Engelen zijn dienaren van God, maar ook van de gelovigen. Engelen zijn geesten, zij hebben geen stoffelijke lichamen. Zij zien de gelovigen, slaan hun doen en laten gade, zoals ook 1 Korinthiërs 11 bewijst (1Ko 11:10), en schieten hen te hulp waar nodig omdat de gelovigen metgezellen van de Zoon zijn.

De gelovigen worden hier voorgesteld als zij “die [de] behoudenis zullen beërven”. Met de behoudenis wordt in deze brief het vrederijk bedoeld. Behoudenis moet je hier dan ook zien als iets dat in de toekomst ligt. Behoudenis wordt ook wel gezien als iets dat je nu al bezit. Zo mag je zeker weten dat je behouden bent op grond van je bekering tot God en je geloof in de Heer Jezus (Ef 2:8).

Het is belangrijk dat je, om te weten wat er met de uitdrukking ‘behoudenis’ wordt bedoeld, kijkt naar het verband waarin die staat. Behoudenis betekent vaak het geplaatst worden op een nieuw terrein, buiten het bereik van boze machten en verbonden met Christus. In het zojuist aangehaalde vers uit Efeziërs 2 gaat het erom dat je nu al in de hemel bent, in veiligheid op een terrein waar je verbonden bent aan een verheerlijkte Christus.

Zoals gezegd, gaat het in deze brief over behoudenis als een toekomstig iets. Dat houdt in dat er soms een zware en moeilijke weg gegaan moet worden, voordat die behoudenis wordt bereikt. Dit geldt in elk geval voor de Joodse gelovigen. Vandaar dat ze dringend behoefte hebben aan een dienst van versterking, vertroosting en bescherming.

De Heer gebruikt Zijn engelen onder andere om de Zijnen te dienen. Hij zet ze in, Hij stuurt ze uit. Ze gaan op Zijn bevel. Zo stuurt Hij een engel naar Cornelius (Hd 10:3) en naar Filippus (Hd 8:26). Hij zet ze in om Lazarus tot Zich te nemen (Lk 16:22). God gebruikt engelen om ons te beschermen (Mt 4:6; Mt 18:10; Hd 12:15). Deze engelen zijn de uitverkoren of heilige engelen (Mt 25:31; 1Tm 5:21).

Je ziet een veelheid aan diensten die engelen verrichten en dat allemaal ten behoeve van jou en mij. Daarvoor komt niet de eer aan engelen toe – die zouden ze ook afwijzen (Op 22:8-9), maar aan de Heer van de engelen, de Mens Jezus Christus, de Zoon van God, de Schepper en Erfgenaam van alle dingen.

Lees nog eens Hebreeën 1:6-14.

Verwerking: Welke heerlijkheden van de Heer Jezus heb je leren kennen? Aanbid Hem daarvoor.

© 2023 Auteur G. de Koning

Niets uit de uitgaven mag - anders dan voor eigen gebruik - worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van 'Stichting Titus' / 'Stichting Uitgeverij Daniël', Zwolle, Nederland, of de auteur.





Bible Hub


Philemon 1
Top of Page
Top of Page